Recht uit het hart: mijn 2013.

2013.. een raar jaar. Een jaar met diepe dalen zoals ik ze nog nooit had beleefd, maar ook met pieken die al even uitzonderlijk waren.
*
Mijn jaar begon depressief, en tegelijkertijd met een hoogtepunt. In november 2012 raakte ik depressief, en dit was in januari nog niet over. Toch begon ik het jaar goed: ik ging op 1 januari met vrienden J. en G. naar Awakenings. Dit is een feest in een grote oude industriële hal in Amsterdam. Mijn favoriete feest, dat een paar keer per jaar plaatsvindt. Ik had de avond van mijn leven: dit moest vast en zeker betekenen dat het beter zou gaan dit jaar, ik voelde me immers die avond prima, en had vertrouwen in de tijd die zou volgen. Niets was helaas minder waar. Ik zakte daarna nog verder weg in mijn depressie, en voelde me ongelukkiger als nooit te voren. Ik had ineens een aversie gekregen tegen mijn medicatie, dus daar stopte ik impulsief mee. Had ik nooit moeten doen. Ik stopte met mijn anti-psychotica en draaide helemaal door. Ik kreeg hoofdpijn dat erger is dan migraine, en raakte psychisch helemaal in de war. Uiteindelijk werd ik eind januari opgenomen in de kliniek. Een zware tijd. Iedere avond smeekte ik vriend J. aan de telefoon of ik alsjeblieft naar hem toe mocht komen: weg uit de kliniek, maar ik moest volhouden. Toen ik er weer uit kwam maakte ik de belofte met mezelf dat dit nooit meer zou gebeuren: ik zou nooit meer opgenomen worden, hoe slecht ik me ook voelde. Omdat ik niet alleen in mijn huis durfde te zijn, mocht ik met mijn tas vol kleding en mijn tandenborstel naar Amsterdam komen: logeren bij goede vriend J. Hier heb ik uiteindelijk weken gezeten zonder iemand te zien, op J. na. Mijn psychiater sprak ik om de dag telefonisch, ik had niet de puf om naar Hilversum te gaan. Ik slikte inmiddels mijn oude medicatie weer, en ook dit ging via de apotheek in Amsterdam, zodat ik niet naar Hilversum hoefde. Ik zat dieper in de put dan dat ik me in 10 jaar depressies heb gevoeld. Ik wilde nog maar 1 ding: rust. Dood. 
*

In a little while 
I’ll be gone 
The moment’s already passed 
Yeah it’s gone 
And I’m not here 
This isn’t happening 
I’m not here 
I’m not here 

*
Radiohead met ‘How To Disappear Completely’. Ik heb dat nummer zo ontzettend vaak geluisterd. Onder mijn deken op de iPod, of als ik met hoge spanning in de trein zat naar mijn vrijwilligerswerk of therapie: dingen die ik langzaam weer oppakte. Het maakte me aan het huilen, maar het maakte me ook rustig. Het gaf troost. Tot op de dag van vandaag luister ik het nummer bijna dagelijks, soms wel 5x achter elkaar. Het is mijn liedje.
*
In maart ging het nog steeds niet goed met me, en kreeg ik onder hevig protest van mezelf anti-depressiva voorgeschreven. Ik wilde dit niet, omdat eerdere pogingen daarmee allemaal zijn mislukt, en ik gewoon echt geen troep wilde slikken. Maar zo kon het ook niet doorgaan, dus toch maar weer proberen. Awakenings kwam er ook weer aan, en hoe graag ik ook wilde: ik ging niet. Ik had kaarten voor twee avonden, maar beide kaarten heb ik weer doorverkocht aan iemand anders. Mijn hart brak op dat moment: ik wilde zo graag.. maar het kon niet. Het was nog te veel.
*
In het voorjaar ging het licht letterlijk en figuurlijk weer een beetje schijnen voor me. Ik kreeg weer wat lucht. Ik ging voorzichtig weer eens de deur uit voor een kop thee ergens. De depressie verdween langzaam naar de achtergrond, maar de borderline-symptomen kwamen hiervoor terug in de plaats. Het was chaos in me. Ik had gigantische stemmingswisselingen, en wist niet waar ik nou blijer om moest zijn: dat de depressie weg was of dat ik me weer voelde zoals ik me normaal voel met mijn borderline: altijd wisselend.  Ik verlangde bijna weer terug naar de depressie, dat gevoel was tenminste stabiel. Nu ging ik van blij naar boos naar verdrietig naar bang en weer terug naar blij. Doodvermoeiend.
*
In mei kon ik oprecht zeggen dat ik niet meer depressief was. Ik voelde me een stuk beter. Ik stopte weer met de anti-depressiva omdat ik dat spul gewoonweg niet meer in me wilde hebben. Ik werd rustiger: het was een goede stap om daar mee te stoppen. Wel maakte mijn psychiater zich zorgen: ik liep vast qua therapie. De depressie was dan weg, maar de borderline maakte mijn leven nog aardig moeilijk. Samen hebben we besloten dat ik verder zou gaan kijken: bij een gespecialiseerde kliniek in Amsterdam. Mijn psych stuude een uitgebreide brief naar die kliniek en na een tijdje mocht ik komen voor onderzoek, waarbij ook hun concludeerden dat ik inderdaad echt borderline heb en chronisch depressief ben. Au. Al wist ik het natuurlijk wel, het was toch weer even een klap. Ook op werkgebied stond ik niet stil: ik mocht van mijn coordinator een cursus ervaringsdeskundigheid volgen aan de Hogeschool van Amsterdam. Ik was zo trots: ik zat weer op school! Ik heb er veel geleerd, en met als resultaat dat ik mijn certificaat gehaald heb. Toch nog een HBO papiertje, al is het dan maar een certificaat. Maar na mijn mislukte HBO studies betekent dit erg veel voor me.
*
In de zomer voelde ik me best goed. Ik ging naar dance-festivals, ik zat vaak in de zon op het balkon of met een kleedje in het park. Zo kon het leven dus ook zijn: het was zo’n verademing om me weer zo te voelen: om weer wakker te worden en zin te hebben in de dag. Ik genoot. Ik genoot echt. Natuurlijk had ik mijn issues nog, mijn stemmingswisselingen en mijn sombere dagen, maar over het algemeen kon ik zeggen dat het goed ging. Ik ging een paar dagen naar mijn geliefde stad Berlijn, en kwam helemaal tot rust. Aan het einde van de zomer leerde ik zelfs een leuke man kennen waarmee ik ging daten. Ik en daten.. dat was erg lang geleden. Er ging een wereld voor me open dat ik weer iemand leuk kon vinden: dat het leuk was om een band met iemand op te bouwen. Hoewel ik er ook erg van in de war raakte, was het leuk. Wederom genoot ik.
*
Het ging goed tot oktober. Ik leidde mijn leventje zoals ik het beste functioneer: therapie, vrijwilligerswerk, veel rust en af en toe uit de band springen bij een concert of dansfeestje. Toch voelde ik me langzaam weer somberder worden.. ik had veel huilbuien en trok me steeds meer terug van alles en iedereen. Eind oktober stortte ik zo in, dat ik toch weer in de kliniek opgenomen werd, ondanks mijn voornemen dat het nooit meer zou gebeuren. Ik kon niet meer. Ik was op, gebroken, doodmoe en hartstikke bang. Ik kende mezelf niet meer terug. Weer kreeg ik anti-depressiva voorgeschreven, maar nu eentje die ook goed zou zijn voor angst- en paniekaanvallen. Het moest maar. Uiteindelijk was het toch een goede zet om me te laten opnemen: ik kwam al gauw weer tot rust, en na twee weken stond ik weer buiten en mocht ik naar huis.
*
Het is nu eind december, en de laatste drie maanden van 2013 waren niet gemakkelijk. Ik heb me weer heel erg verdrietig en bang gevoeld, en had geen vertrouwen meer in de toekomst. Hoe kan ik tenslotte een toekomst opbouwen als elke dag een strijd is? Ik voelde, en voel me waardeloos. Ik heb de afgelopen drie maanden niet veel gewerkt en ben regelmatig niet bij therapie geweest. Ik koos er voor om ‘onder mijn steen’ te gaan liggen, en alles en iedereen uit de weg te gaan. Dit heeft me een vriendschap gekost, en ook mijn date is hierdoor helaas niets geworden. Maar so be it. Des te meer koester ik het handjevol vrienden die er echt dag en nacht voor me zijn, en me helemaal accepteren zoals ik ben. Dat is wel iets wat ik geleerd heb dit jaar: koesteren en dankbaar zijn. Niet alles is zwart, zelfs niet op de meest depressieve dag.
*
Overmorgen is het oud & nieuw. Tijd voor goede voornemens en wensen. Ik doe daar niet aan. Ik zie wel wat 2014 mij brengt. Ik kan alleen maar hopen dat mijn hoofd zich een beetje rustig houdt, dan ben ik al tevreden.
*

Stille tranen.

Ik voel het prikken. Ik voel mijn ogen waterig worden. Zou het dan toch? Ja hoor: een voorzichtige traan biggelt over mijn wang naar beneden. Mijn ogen worden wateriger. Laat maar komen.. en daar komen langzaam iets meer tranen. Niet veel, maar het is iets. Zonder gesnik, zonder het naar adem hoeven happen, maar heel rustig. Stille tranen.
*
Thank God. Ik huil.
*
Ik heb sinds ik aan bepaalde anti-depressiva zit (Prozac – nu een week of 6), niet meer kunnen huilen. Heerlijk toch, denk je misschien. Nee. Mijn achtbaan aan emoties voel ik nog steeds, die worden niet onderdrukt door die pillen. Mijn depressieve stemming voel ik ook maar al te goed. Maar ik kon het niet meer uiten. Normaliter huil ik best gemakkelijk, maar nu lukte het gewoon niet. Hoe bang, boos, verdrietig of eenzaam ik ook was. Toen Maaike Ouboter gister optrad bij Serious Request, en het nummer ‘Dat Ik Je Mis’ zong, brak ik dan toch.
*
Laat me los
Ik moet nu alleen
En houd me vast als het nodig is
In gedachten en ik zoek je
In alles om me heen
Maar al denk ik soms
Dat het zo beter is
Kan ik het niet helpen
Dat ik je soms mis.
*
Ik kan me zo vinden in deze tekst. Ik neem door mijn depressie afstand van de mensen die me juist het meest dierbaar zijn. Ik trek me terug onder mijn steen, en kom de dagen eenzaam en alleen door, meestal in bed. Wat doe je jezelf aan, vraag je je misschien af. Is het juist niet fijn om contact met je dierbaren te hebben als je je zo rot voelt? Nee. Wat Maaike ook zegt: Ik moet nu alleen. Het kost teveel energie om met iedereen te blijven whatsappen, en gezellig te doen. Het is dan vaak alles of niets: of ik ben opmerkelijk veel online, of ik sluit me voor alle mogelijke kanalen af en ben voor anderen onbereikbaar.
*******
Een depressie in combinatie met borderline: het blijft een killer. Het haalt niet het beste in me naar boven. Maar ik kan gewoonweg even niet anders.
*
Ondertussen weer een voorzichtige traan over mijn wang. Zou dit weer een begin zijn naar een weg naar boven?
********
*
Hier het nummer ‘Dat Ik Je Mis’:
*
*

Anders dan ik dacht.

“San, kom je even?” Ik zit achter de computer wat administratie te doen op kantoor als mijn coordinator vraagt of ik even met haar mee kom. “Ik heb gesprekskamer X gereserveerd, dan kunnen we even praten. Wil je een kop thee?”. Een kop thee is misschien wel even lekker, dus ik zeg ja. We gaan zitten in de gesprekskamer waar we normaliter met clienten zitten. Ik ben blij met m’n kop thee, en speel er wat mee door er wat suiker in te gooien en langdurig te roeren. Dit terwijl ik normaal gesproken helemaal geen suiker in m’n thee doe. Zal de spanning wel zijn. “Ik wil even met je praten over je vele afwezigheid”. Ohjee. Ze zal toch niet zeggen dat… “Ik weet niet of het verstandig is dat je hier nog langer werkt”. Kut. “Je bent teveel afwezig, daardoor onbetrouwbaar en ik kan niet meer op je rekenen”. Ze heeft gelijk. “Na vandaag hoef je niet meer te komen”. Dat was het dan. Ik sta op straat. Mijn vrijwilligerswerk dat me toch heel dierbaar is, ben ik verloren. Het is klaar. 
*
Dit is waar ik bang voor was vandaag. Ik durfde bijna niet naar mijn vrijwilligerswerk toe vanmorgen, omdat ik bang was voor dit scenario. In werkelijkheid ging het heel anders. Ik stapte de trein uit en kwam mijn coordinator op het station tegen. “Wat stoer dat je er vandaag weer bent!” zegt ze tegen me met een lach. Huh? dacht ik. Ben je dan niet boos? Ze komt niet boos over. Integendeel, ze lijkt oprecht blij om me te zien. Ik pak mijn fiets en samen fietsen we naar kantoor. Ik stap maar meteen met de deur in huis door op de fiets al een gesprekje aan te gaan. Ik zeg haar eerlijk dat ik vandaag eigenlijk niet durfde te komen, of nee: eigenlijk niet niét durfde te komen. Snap je hem nog? Ik leg haar uit dat ik bang ben dat ze me niet meer als vrijwilliger wil hebben, omdat ik me de laatste tijd teveel ziekmeld. “Oh maar San, dat gaat niet gebeuren hoor!”. Weer ben ik verbaasd. Hoe kan het dat als ik me met zulke regelmaat ziek meldt omdat ik te angstig/depressief/moe ben om te werken, maar daardoor niet de deur uit gezet wordt? “Ik wil je even zeggen dat je niet bang hoeft te zijn dat je er uit gegooid wordt. Dat gebeurt niet”. “Het was anders geweest als je er een potje van maakte, maar je bent ziek en het is niet erg.” Ok.. “Daarnaast pas je perfect in onze doelgroep”. Daarmee bedoelde ze dat de vrijwilligers die hier werken vrijwel allemaal ervaring hebben in de GGz. Je kunt je misschien voorstellen dat dat niet de meest stabiele groep is, en er wel meer mensen zijn die zich regelmatig ziekmelden.
*
Op het moment dat we op kantoor aankomen ben ik niet meer angstig. Ik blijf wantrouwend, maar probeer er op te vertrouwen dat ik mijn vrijwilligersbaantje niet zomaar kwijt raak. Ook niet als ik er dus af en toe niet ben omdat het niet gaat. Ik ben blij dat ik de stap heb genomen om te gaan, en om het ook aan te kaarten. Door eerlijk te zijn weet ik nu waar ik aan toe ben. Ik had toch een heel andere dag gehad als ik thuis gespannen onder mijn dekentje was blijven liggen..
*

Paniekaanval? 1 – 0 voor San.

Rustig blijven San. Rustig. Hardop zeg ik tegen mezelf dat ik goed moet ademen. Ik hap naar adem. Rustig blijven is verdomd moeilijk nu. Adem in, vasthouden, en adem uit. Ik herhaal het, maar het lukt niet. Mijn paniek wordt heftiger. Ik voel dat ik wankel op mijn benen sta. Het nare gevoel dat je krijgt vlak voordat je gaat flauwvallen neemt me in beslag. Ik wil niet flauwvallen. Vooral niét flauwvallen. Ik sta onder de douche, maar zet hem voor de zekerheid uit en ga op de vloer zitten. Ik krijg het direct koud, en begin te trillen. Maar ik blijf zitten. Opstaan durf ik niet, bang om weer om te vallen. Potverdorie, het is er weer een. Een paniekaanval.*

Ik schrok me dood. Ik voelde al wel wat spanning, en stapte al niet helemaal ontspannen de douche in, maar dat er een paniekaanval zou volgen had ik niet zien aankomen. En waarom? Omdat het een belangrijke dag is. Omdat ik moet presteren. Omdat er dingen van mij verwacht worden, die ik misschien wel helemaal niet waar kan maken. Maar vooral: omdat ik dingen wil doen die niet goed gaan omdat mijn hoofd me in de weg zit. Ik word er zo  moedeloos van.
*
Neem als voorbeeld mijn vrijwilligerswerk: ik zit in een werkgroep die een interessant symposium organiseert. Hartstikke leuk, en ik voel me vereerd dat ik hieraan mee mag werken. Maar dit brengt verantwoordelijkheden met zich mee, en daardoor ook werkdruk. En laat ik nou net de pan uit flippen als ik werkdruk voel. Waarom doe je het dan, vraag je je misschien af. Omdat ik zo normaal mogelijk wil zijn. Ik wil ook nuttige dingen doen. Ik wil me ook voldaan kunnen voelen na een (werk)dag. Ik wil functioneren.
*
Ik heb even bij kunnen komen, letterlijk op adem kunnen komen, en het even van me af kunnen schrijven. Nu ga ik alsnog naar mijn werk toe, en ga ik er alles aan doen om deze dag goed door te komen. Vandaag wint mijn borderline-hoofd met bijbehorende chaos niet. 1 – 0 voor San.
*

De hele nacht de voetjes van de vloer.

Ik weet niet waar ik moet beginnen. Zoveel emoties, en tegelijkertijd zo’n diep gevoel van leegte. Dit vind ik een van de moeilijkste dingen van borderline als je tegelijkertijd ook een depressie hebt: het ene moment ben je somber maar ben je ondertussen ook boos, verdrietig en bang. En dan bedoel ik ook héél boos, héél verdrietig, of héél bang. Het andere moment is er alleen de somberheid. Een zwart gat. Leegte. Het enige wat dan nog ‘helpt’ is je afzonderen, onder een deken te gaan liggen en voor jezelf zorgen door kopjes thee te zetten en af en toe een warme douche te nemen. Maar verder geen prikkels. Vooral geen prikkels. Ook tijdens een depressieve episode heb ik stemmingswisselingen. De leegte en emoties wisselen elkaar af. Beide is niet fijn.
*
Borderline en depressie: ik vind het een zeer lastige combinatie. Het is echter wel een veelvoorkomende combinatie; veel mensen die borderline hebben zijn af en toe depressief. De een wat meer dan de ander, en het kan varieren van enkele dagen, weken, of zelfs maanden. Bij mij duurt het meestal een paar weken, maar vorig jaar bijvoorbeeld een half jaar. Nu is het al een paar weken aan de gang, en ik zak steeds iets dieper weg. Het gaat heel geleidelijk, alsof ik met vertraging van een glijbaan de neerwaartse spiraal af glijd. Steeds minder dingen onderneem ik; ik verzuim van van therapie, ik kom met grote regelmaat niet op mijn vrijwilligerswerk, en vrienden spreek ik nauwelijks meer. Ik leef momenteel heel geisoleerd, wat aan de ene kant een gigantisch gevoel van eenzaamheid met zich meebrengt, maar aan de andere kant heel fijn is, en veilig voelt. Onder mijn dekentje op de bank voel ik weinig druk, waardoor ik de dag nog een beetje aan kan. Als ik op mijn vrijwilligerswerk ben of bij therapie, kost het mij bakken vol energie om het vol te houden. Het is elke dag weer een strijd om de keuze te maken: blijf ik vandaag onder mijn deken of kom ik uit mijn grot en ga ik werken, therapie volgen, boodschappen doen, iets leuks doen met vrienden, etc, met als gevolg dat ik alleen maar vermoeider raak. Een bekend probleem voor mij is: ik weet niet goed wanneer ik mezelf een schop onder de kont moet geven of wanneer ik ‘voor mezelf mag zorgen’.
*
Er is één ding waar ik nog wel van geniet: dansen. Als je het hebt over prikkels al dan niet vermijden: in een club vol met uitgaanspubliek suist het van de prikkels. Gek genoeg kan ik me er daar goed overheen zetten. Op de dansvloer voel ik mij goed. Geef mij een wijntje en een goede DJ, en ik dans zo de hele nacht met de voetjes van de vloer. Een klein gevraar hierin, is wel dat je jezelf hierin kunt verliezen. Ik hou het namelijk niet bij een, twee of drie wijntjes, en al die prikkels komen achteraf alsnog keihard binnen. Toch sta ik al te popelen om morgenavond weer te gaan dansen. Impulsief als ik kan zijn heb ik na het lezen van een nieuwsbrief kaartjes gekocht voor een feestje. In die uurtjes dans ik even alles van me af, en ben ik niet de ‘zieke San’, maar sta ik net als iedereen te genieten van de muziek. Voor die paar uur voel ik me (redelijk) normaal. Niemand die aan mij ziet dat er iets is. En dat is fijn.
*